Ik zie ik zie wat ik niet zie

Uit het water stak een groot bot schuin omhoog. Echt een flink bot, mogelijk een dijbeen en zo groot als dat van een mammoet of misschien wel een dinosaurus. Ook was het heel donker, bijna zwart van kleur. Van iets dichterbij zag de grootste knobbel er opvallend uit. Even dacht ik aan een schildpad, maar sinds wanneer komen schildpadden in Nederland in het wild voor? Hoe dichter ik bij het bot kwam – dat inmiddels geen bot maar  boomstam bleek te zijn – hoe meer de knobbel op een schildpad leek. Het moest wel een kunstwerk zijn dat daar in het water lag, al was het een rare plaats voor een kunstwerk: midden in de natuur in een plas, misschien een voormalige kleiput, daar waar de Kekerdomsche Waard overgaat in de Millinger Waard. Veel kunstliefhebbers kon het niet trekken, want aan beide zijden van het pad, dat als een dijkje tussen twee plassen liep, was flinke begroeiing. Inmiddels was duidelijk dat het hier om een schildpad ging, maar niet of het een beeld of een levend wezen was. Ik liep voorzichtig het talud af, naar het water toe, de fototelefoon van M. bij de hand. De schildpad bewoog – traag – z’n kop. Op deze heerlijke herfstdag, zondag 16 oktober 2016, was het plots 20° en als koudbloedig dier gebruikte de schildpad dit moment om op te warmen. Totdat ik daar stond, bijna klaar om een foto te maken. Dat werd ’m (of ’r) teveel en met een plonsje verdween het reptiel in het water.

Thuis heb ik wat opzoekwerk gedaan. Schildpadden blijken in Nederland in het wild voor te komen, al blijft het een uitzondering. Sinds de laatste eeuwwisseling nemen de waarnemingen toe. Het gaat om ontsnapte danwel uitgezette beesten, voor voortplanting is het niet lang genoeg warm in de Nederlandse zomers. Dankzij de klimaatopwarming komt dat moment wel dichterbij: er zijn schildpadden gezien die eieren leggen. Voor een succesvol broedsel zou een periode van circa twee maanden nodig zijn waarin het constant 30° is. Aangezien het zover nog niet is (en laten we hopen dat dat zo blijft), zijn er geen waarnemingen bekend van uitgebroede eieren.

Bronnen:

Gold of Amsterdam

Many a town in the Netherlands ogles Amsterdam for its seemingly magnetic pull on tourists. Amsterdam, on the other hand, is having mixed feelings about the ever increasing influx of people, drawn to its inner city. One of the most famous streets, the Kalverstraat, had to be closed down temporarily twice already, because of overcrowding. This unprecedented measure was taken once shop visitors were unable to leave, not because exits were locked, but simply because too many people were walking the street.

To lure foreign tourists out of Amsterdam, neighbouring towns are resorting to marketing tricks by ‘Amsterdamming’ their attractions. Amsterdam has no beaches, so now Zandvoort likes to call itself Amsterdam Beach. The Muiderslot at Muiden sees nothing wrong with naming it Amsterdam Castle. And although every Dutch child remembers being dragged along thousands and thousands of stupid tulips on a rainy day at the Keukenhof near Lisse, that now is promoted as Flowers of Amsterdam.

It is not just tourists the rest of the Netherlands is after, apparently also bankrobbers. The central bank of the Netherlands, DNB, has announced its plans to move its gold reserves and banknotes to Camp New Amsterdam, located at the former military air base Soesterberg. Hold your horses (and your guns), though, for it is not until 2022 that the new Cash Centre will have been finalised. In the meantime, there is this other New Amsterdam, better known as New York, where 31.3 percent of the Dutch gold is stored.

Landelijk

Gisteravond was Dorsvloer vol confetti op tv, een film naar het gelijknamige boek van Franca Treur. Goeie film en origineel inkijkje in de wereld van een protestantse samenleving in Zeeland.

Het is het verhaal van een meisje op een boerderij. En dat is nou het aardige, de hoofdpersonen worden gespeeld door acteurs met landelijke achternamen, geheel bijpassend:

  • Dochter, Hendrikje Nieuwerf – nieuw erf
  • Moeder, Suzan Boogaerdt – boomgaard
  • Vader, Steven van Watermeulen – watermolen

Naakt de vriezer in

Kaalgevreten hosta’s, alsof je vitrage in je tuin hebt staan, ik had er niet zoveel last van. Een beetje geknabbel en dat was het. Vlinders zag ik net zo graag als ieder ander en als rups zag ik ze zelden. Spuiten met gif of strooien met slakkenkorrels, nee, daar doe ik niet aan. En toen begon ik dit jaar met moestuinieren. Op kleine schaal, twee verhoogde bedden in de vorm van twee zelfgemaakte moestuinbakken.

Zelfgemaakte moestuinbakken van douglas-planken
Zelfgemaakte moestuinbakken van douglas-planken

Ik spuit nog steeds niet, en dat ga ik ook niet doen. Maar maatregelen bleken nodig, want de rucola, de paksoi en de net gezaaide sperziebonen verdwenen in naaktslakkenmagen, terwijl het koolwitje zich uitleefde op de broccoli. Ik ging ’s avonds met een mijnwerkerslamp (een zaklamp met een elastieken band) op mijn hoofd de tuin in en verzamelde de slakken in een leeg margarinekuipje. Dan, hup, dat kuipje in het vriesvak en ’s ochtends konden de slakkenklompjes op de composthoop. Dat werkte prima.

En de rupsen van het koolwitje, ach, volgend seizoen doe ik een netje over de koolgewassen en dan is dat probleem ook opgelost. Maar waar ik niet op had gerekend, was dat koolwitjes niet eenkennig zijn. De broccoli stond er zo treurig bij, zo kaalgevreten, dat de planten op de composthoop gingen. Toch bleef het koolwitje rondfladderen. Toen M. de rucola opnieuw zaaide, niet in de moestuinbakken maar in potten, om mij het slakkenverzamelen te besparen, heeft dat koolwitje dat goed gemerkt (en ik iets te laat). Want aan de onderkant van zo ongeveer ieder blaadje legde de vlinder minuscule eitjes, en uit die minuscule eitjes kropen piepkleine rupsjes in exact dezelfde groene kleur als het blaadje. Die piepkleine rupsjes hebben een reuzehonger, voor mij bleef voorgekauwd eten over. Dus in plaats van in een handomdraai slakken te verzamelen, moest ik nu heel nauwgezet eitjes wegvegen. Dat werkt gelukkig wel.

Waarom die slakken in de vriezer? Tja, het zijn flinke beesten en erop gaan staan vind ik akelig voor die beesten en bovendien een smeerboel. Van kreeften weet ik dat een vriesdood gezien wordt als ‘humaan’. De term vind ik raar, maar het principe goed, zijnde een enorme verbetering ten opzichte van levende beesten in kokend water gooien. Wat goed is voor kreeften – waarbij ‘goed’ natuurlijk ‘minst slecht’ is, moet goed zijn voor slakken.

Vertaal het lekker zelf

Terwijl de rest van de wereld mokkend rond een knapperend haardvuur zit, is het in Nederland gezellig. Dit is altijd zo geweest, want gezelligheid kent geen tijd. Ach arme rest van de wereld: vertaal gezellig, dan kunnen jullie ook meegenieten. En anders mogen jullie het woord best van ons lenen. We gaven jullie al apartheidbaas en koevoet.

Vooruit, laat gezellig onvertaalbaar zijn of in ieder geval niet-zo-goed vertaalbaar. Het omgekeerde wordt ook vaak geroepen, dat een woord uit een andere taal niet in het Nederlands vertaalbaar is. Dat is te gemakkelijk.

Beatrice de Graaf schrijft in haar NRC-column van za. 8-10-2016 over Vergangenheitsbewältigung (een begrip waar haar column om draait) ‘een vertaling is er niet’. Pak je het woordenboek, dan vind je een uitleg in zes woorden: ‘het innerlijk verwerken van het verleden’. Maar dat in dat woordenboek, Van Dale Middelgroot woordenboek Duits-Nederlands, 2e editie 2015, niet een vertaling in één woord staat, wil nog niet zeggen dat dat niet te bedenken is. Ik kwam, zonder mijn hersens erg te moeten pijnigen, met geschiedverwerking. Ik bleek niet de eerste en ook niet de enige. En als je even googelt dan vind je links naar nog enkele publicaties waar geschiedverwerking in voorkomt.

Een vertaling mag je gewoon zelf bedenken. Het kan een tijdje gekunsteld overkomen, maar uiteindelijk went het en heb je je moedertaal verrijkt.

Tegen de tijd dat ik nog andere voorbeelden heb gevonden, zal ik ze hier vermelden.

Driekwart, daarvan tweederde

In het voorbije halfjaar zijn er wereldwijd referenda gehouden waarbij de opkomst mager was of waarbij het verschil tussen voor- en tegenstanders klein was. En soms beide.

  • In Colombia werd het reeds gesloten vredesakkoord tussen regering en de FARC verworpen door het referendum van 2 oktober 2016.
    Opkomst: 37%, uitslag: 50,2% tegen het akkoord, 49,8% voor het akkoord.
  • Het referendum over de Brexit in het Verenigd Koninkrijk was op 23 juni 2016.
    Opkomst: 72%, uitslag: 52% uit de EU, 48% in de EU blijven.
  • In Hongarije bedacht de president een referendum om onder afspraken in EU-verband over de opname van vluchtelingen uit te kunnen komen. Datum : 2 oktober 2016.
    Opkomst: 44%, uitslag: 98% is xenofoob, 2% is fatsoenlijk. Het referendum is ongeldig doordat de vereiste 50% opkomst plus één stem niet is gehaald, maar dat interesseert President Orbán weinig.
  • Nederland kende zijn eigen eerste nationale referendum op 6 april 2016, ook al was dat slechts ‘raadgevend’, dus voor spek en bonen. Kort voordat het referendum gehouden wordt, blijken de initiafnemers charlatans die misbruik maken van de mogelijkheid om een referendum te houden en niet geïnteresseerd zijn in Oekraïne en het liefst zouden stemmen over een vertrek uit de EU.
    Opkomst: 32% (drempel: 30%), uitslag: 61% tegen het associatieakkoord met Oekraïne, 38% voor.

Er zijn niet-stemmers die niet stemmen omdat ze dan niet voor de tv kunnen blijven hangen. Dat weerhoudt deze luiaards er niet van om na afloop te gaan klagen over de uitkomst. Deze postactieven negeer ik verder.

Onder de niet-stemmers zijn ook mensen die tegen het referendum als politiek instrument zijn. Niet-stemmen is een voor de hand liggende keuze, ook al ban je daarmee het referendum niet uit de politiek. En de consequenties blijven onveranderd voor de hele samenleving, en niet slechts voor de stemmers.

Dan zijn er mensen die zich keren tegen gelegenheidsreferenda, zoals het Oekraïnereferendum. Zij verkeren in een lastig parket: door thuisblijven geven ze uiting aan hun afkeer, en drukken ze het opkomstpercentage. Dat laatste is alleen effectief als de opkomst onder de drempel blijft, en dat is onzeker. Wel gaan stemmen kan helpen genoeg tegenwicht te bieden, misschien zelfs in voldoende mate. Maar je vergroot het opkomstpercentage, mogelijk zelfs boven de vastgelegde drempel, wat voor deze groep mensen onwenselijk is.

Nog niet zo lang geleden was er een opkomstplicht in Nederland. In 1970 werd die afgeschaft, en in de praktijk kon je je natuurlijk onttrekken aan het daadwerkelijk kiezen, door een blanco of ongeldig gemaakt biljet in de bus te stoppen. We hebben nog wel een opkomstdrempel, maar die ligt in Nederland bij raadgevende referenda zo laag (30%), dat het geen betrokkenheid bij de democratie afdwingt. En als vervolgens een simpele meerderheid (dus 50% plus minstens één stem) voldoende is, dan kan bij een lage opkomst – en daar is al jaren en op steeds meer plekken sprake van – een klein deel van de bevolking de doorslag geven.

Referenda zijn misschien wel helemaal niet zo’n goed idee, lees de New York Times of NRC Handelsblad, maar daarmee zijn ze nog niet verdwenen uit het politieke landschap.

Stel dat we het volgende doen:

  1. Leg de opkomstdrempel bij een referendum op 75%.
  2. Stel een gekwalificeerde meerderheid in van tweederde, zoals dat ook het geval is bij grondwetswijzigingen.

Wordt onder deze voorwaarden het referendum gehaald, dan krijg je de uitkomst dat de helft van alle kiesgerechtigden (dus niet alleen de mensen die zijn gaan stemmen) gekozen heeft voor de voorgelegde vraag. Want: ⅔ * ¾ = ½ (voor het geval dat deze breuken niet goed weergegeven worden: 2/3 maal 3/4 = 1/2).
Bij het Oekraïnereferendum was nog niet eens een op de vijf kiezers tegen het associatieverdrag (61% van 32% is 19,5%).

Er zijn allerlei tegenwerpingen te bedenken tegen deze opzet. Bijvoorbeeld: de opkomstdrempel is zo hoog, dat het de vraag is of die ooit nog gehaald wordt. Dat is dan gelijk een effectieve manier om flauwekulreferenda, zoals dat onzalige Oekraïnereferendum, te torpederen. Maar lukt het wel, en slaagt zo’n referendum, dan heb je dus minstens de helft van alle kiesgerechtigden achter je, en van degenen die zijn gaan stemmen dus minstens twee op de drie. Dat moet de democratie toch goed doen.

Panorama Rieder

Waar was Waldo? Geen idee, want: wie wás Waldo? Over Waldo las ik voor het eerst op een Amerikaanse website. Het zal een terloopse verwijzing zijn geweest om het ene met het andere te vergelijken. Inmiddels weet ik wie Waldo is (al jaren ondertussen). Engelse kinderen zoeken naar Wally en – weet ik sinds een paar minuten – Nederlandse kinderen ook. Wally (Waldo) is een uit de kluiten gewassen jongen met een rood-witgestreepte trui, een bril en een muts. Goed herkenbaar, zou je denken, maar de lol zit ’m in goed moeten zoeken om hem te kunnen vinden op de volgepropte tekeningen van de Britse Martin Handford.

Voorgevels Waar is Ludwig?
Voorgevels Waar is Ludwig? – Foto: Jeroen Teeuwisse

Waar is Ludwig? Ook die is zoek en oma wil weten waar-ie is. Ludwig is haar kat en oma gaat van grachtenpand naar grachtenpand om hem te zoeken. Wil je mee zoeken, ga dan naar de boekwinkel tijdens deze Kinderboekenweek, die duurt nog tot en met zondag 16 oktober. Daar vind je het prachtige, geweldige prentenboek van Floor Rieder, voor € 7,95. Het is een leporello*, een zigzaggevouwen boek dat uitgevouwen een straatje van tien grachtenpanden is, met onderaan een tweeregelig rijm. Als je de huizen voorbij bent ‘gewandeld’, dan ga je achterom en kijk je binnen in al die bijzondere woningen. Het gedicht gaat hier verder tot je weer terug bij oma’s huis bent.

Binnenskamers in Waar is Ludwig? – Foto: Jeroen Teeuwisse
Binnenskamers in Waar is Ludwig? – Foto: Jeroen Teeuwisse

Iedere pagina is volgetekend in de voor Floor Rieder zo kenmerkende stijl die lijkt op linodruk. Het is een feest voor de ogen en ook voor de handen. De leporello is gedrukt op zwaar papier (of dun karton), en op een flink formaat: ieder grachtenhuis is 20 cm breed en liefst 35 cm hoog. Het pakt lekker beet, met z’n tuitgevel en bovenaan een uitgestanst rondje (zonder raam, want in het echt bedoeld voor een hijsbalk). Je kunt het al zigzaggend op kast of tafel zetten of in een kring en als je dan zo vanaf boven binnenin rondkijkt is het een beetje zoals Panorama Mesdag. En door te zoeken naar de kat, die je aan de achterkant in ieder huis tegenkomt, is Panorama Rieder ook een intiem en romantiserend portret van het Amsterdamse stadsleven.

Leporello’s zijn niet nieuw, maar deze vorm is heel bijzonder. Meestal is een leporello gewoon een lange strook papier die gevouwen wordt om die strook hanteerbaar te maken. Maar hier komen vorm en inhoud volmaakt samen, iedere vouw scheidt het ene van het andere huis en dan is de achterkant van het papier ook nog eens de achterkant van het huis. Dit kan niet beter. Floor Rieder is niet de eerste om grachtenhuizen af te beelden op een leporello, maar zij overtreft wel alle anderen (zoek op accordion house of amsterdam concertina house).

Ik moest niet alleen aan Waldo denken bij het bekijken van Waar is Ludwig?, ook aan Edward Ruscha. Die publiceerde in 1966 een leporello waarop zijn foto’s staan van alle huizen op de Sunset Strip, een beroemde straat in Hollywood. Bovenaan de pagina alle huizen aan de ene kant van straat, onderaan (en op z’n kop) de huizen aan de tegenoverliggende kant.

Aan het eind van Waar is Ludwig? is Ludwig terecht, thuis bij oma. Daar kan-ie maar beter blijven, en als-ie dan toch naar buiten moet, dan met een belletje om zijn nek. Zodat vogels en knaagdieren uit de kaken van de kat blijven, aldus Pete Marra in zijn boek Cat Wars. The Devastating Consequences of a Cuddly Killer (afgaande op een interview in NRC Handelsblad van dinsdag 4 oktober 2016)

* Leporello’s danken hun naam aan de gelijknamige knecht van Don Giovanni, de vrouwenverslinder in de opera van die naam van Mozart. Alle verslonden vrouwen schreef Leporello op een lijst, een zeer lange lijst, die daarom als een harmonica werd opgevouwen. Hoe lang was die lijst? Zo lang dat er de namen op konden van zeshonderdveertig Italiaanse vrouwen, tweehonderdeenendertig Duitse vrouwen, honderd uit Frankrijk, eenennegentig Turksen en alleen in Spanje al duizend en drie.
Zelf zou ik aan één zig en één zag genoeg hebben.

Afronden

Maak de wereld beter, decimaal voor decimaal. 5 of hoger: afronden naar boven. Minder: naar beneden. Een eenvoudige regel die evenzogoed vaak genegeerd wordt. Het beeldscherm van een computer (en dus ook van een smartphone en een tablet) kan miljoenen kleuren tonen: 16.777.216 om precies te zien. Da’s een mond vol, dus laten we dat afronden: 17 miljoen of met één decimaal: 16,8 miljoen. En dat zie je nou nooit. Er wordt gesproken (echt overal) over 16 miljoen en 16,7 miljoen.

[Redactionele noot]

Een zin die begint met een cijfer, zoals hierboven ‘5 of hoger … ’, krijgt geen hoofdletter. De plaats waar die hoofdletter had kunnen komen te staan is al ingenomen door het cijfer. Als je dat niet mooi vindt, dan kun je beter de zin herschrijven.

Er mogen accenten op de e’s van één in ‘met één decimaal’, omdat het hier om een telwoord gaat en niet om een lidwoord.

Wordentekort

‘Alle handel moet verboden.’ Met een punt erachter. Waar vroeger de zin pas compleet was als-ie eindigde in moet verboden worden, is deze geknotte variant nu zeer algemeen geworden. Dit is een willekeurig voorbeeld (NRC van ma. 26-09-2016), maar worden-loze zinnen kom je overal tegen. Ik herinner me dat ik het voor het eerst zag in stukjes van Hugo Brandt Corstius (of Piet Grijs of Battus), waarschijnlijk al dertig jaar geleden. Krachtig taalgebruik, het duidt op daadkracht. En toch mis ik het, dat worden. Wat niet zo gek is, want worden is hier het hoofdwerkwoord en moeten een hulpwerkwoord (dit moest ik opzoeken, want redekundig ontleden is niet mijn sterkste kant, en – nu voor het eerst in mijn leven – komt het van pas).

Onderbroekenles

‘Tientallen studenten, voornamelijk twintigers en dertigers (veel mannen), zitten aan hun beeldschermen gekluisterd.’ (Eva Schram, NRC Handelsblad, wo. 28-08-2016, p5 Economie-katern.)

Hier struikelde ik toch, en niet over die studenten. Ik geloof graag dat ze zitten, maar je bent gekluisterd aan iets, of je dat nou zittend, liggend of staand doet. Maar vooruit, het kan, zeker als je een pauze inlast tussen zitten en aan. Belangrijker (en lastiger): hun beeldschermen of hun beeldscherm. Iedere student heeft, laten we daarvan uitgaan, precies een beeldscherm. Ook al is het een lokaal vol studenten, en is het lokaal dus vol beeldschermen: iedere student is aan zijn of haar beeldscherm gekluisterd.

Ik begon met afpellen: de zin reduceren tot de kern, omdat het dan veel eenvoudiger is redactionele beslissingen te nemen. Dus dat het tientallen studenten zijn is voor de taalkwestie niet van belang en ook niet hoe oud die studenten zijn en van welk geslacht. Dan houdt je over: studenten zijn aan hun beeldscherm(en) gekluisterd. Enkelvoud of meervoud? Ik bedenk een vergelijkbare zin, waarin de groepsleden noodzakelijkerwijs ieder iets eigens hebben: Jan en Piet trekken hun onderbroek aan. Als Jan heel preuts is of aan diarree lijdt, misschien dat hij dan wel drie onderbroeken over elkaar aantrekt. En Piet volgt Jan in zijn doen en laten, dus die doet dat ook. Ja, dan geldt: Jan en Piet trekken hun onderbroeken aan. Conclusie: enkelvoud, studenten zijn aan hun beeldscherm gekluisterd.